Jeroen Laureyns

 

voorwoord/artstory 4: hans bruyneel

 

Op woensdag 10 september 2014 wandelde ik voor de tweede keer van thuis in Antwerpen Noord naar het atelier van Hans Bruyneel in Borgerhout, dwars door de stenen woestijn van Antwerpen. Ik verbaas mij elke keer over de volledige verstening van de binnenstad die als een vallei van dakpannen, baksteen, beton en asfalt van nok tot nok doorloopt, maar waarin ik mij nog altijd, vreemd genoeg, het meeste thuis voel. Steek mij niet in het pseudo-platteland van Vlaanderen, daar zou de confrontatie met de aanval die de Vlamingen op hun eigen natuurlijke leefomgeving hebben ingezet, te groot zijn. Neen, dan liever nog de stenen woestijn van een Belgische binnenstad met haar charmante herenhuizen en verlaten fabriekjes dan de maïsvelden, steenwegen en verkavelingen waar geen bij of vlinder vrolijk van wordt.

 

Het is daar, in die Antwerpse binnenstad, dat ik in het midden van het tweede decennium van de 21ste eeuw aan de poort van een oude diamantslijperij aanbel en het atelier van de schilder Hans Bruyneel binnenstap, waar hij de laatste jaren gewerkt heeft aan grote, filmische natuurlijke landschappen in felle kleuren, die op het eerste gezicht geen groter contrast kunnen vormen met het claustrofobische stedelijke en natuurarme landschap van de buitenwereld.

 

Alsof de kunstenaar hier in zijn atelier, in het midden van één van de meest vervuilde, lawaaierige en versnipperde landschappen van Europa aan het acute gebrek aan open ruimte en natuur wil ontsnappen door in de voetsporen van de Amerikaanse romantische landschapsschilders, zoals Albert Bierstadt, een verheven natuur te schilderen in de kleurenpracht van een spectaculaire zonsondergang en waarin de mens als een figurant een bijrolletje speelt en de hoofdrol aan de natuur overlaat. Maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet, want in plaats van schilderijen die de schoonheid van het landschap willen bezingen, zijn ook deze doeken projecties van een artificiële en dreigende wereld, waarin de schilder de toeschouwer vol argwaan aan de rand van het beeld laat plaatsnemen en hem niet met een weids gebaar uitnodigt om denkbeeldig in die landschappen rond te wandelen.

 

In het interview dat Marc Holthof van de schilder afnam, vertelt de schilder hoe ook hij, net zoals de meeste van zijn 21ste eeuwse tijdgenoten, niet de positie van de 19de eeuwse ‘pleinairist’ inneemt die zich met zijn ezel midden in het landschap plaatste. Wel integendeel, ook hij maakt deel uit van een generatie hedendaagse kunstenaars, die zich nadrukkelijk na ‘het einde van het lyrische landschap’ (Ton Lemaire) situeren: “Ik ben niet echt een landschapsschilder”, vertelt Bruyneel, “ik probeer – zoals je in de 19de eeuw vaak ziet – niet door de potigheid van mijn borstelstreek de energie van het landschap of de zee of de luchten weer te geven. Dat doe ik allemaal niet.”

 

Het zijn met andere woorden geen echte landschappen, maar artificiële schermen, beelden van landschappen die op een doek verschijnen. Filmische fantasieën. Droomlandschappen die Arcadië al lang achter zich hebben gelaten en helemaal ‘post-nature’ zijn: de band met elke fysieke werkelijkheid is doorgesneden, het geprojecteerde landschap beschenen met een giftig licht dat niet langer van de zon komt, maar van prachtige, door ons gefabriceerde gifgaswolken. Schoon genoeg om er nog een laatste keer in alle eenzaamheid in rond te waren en afscheid te nemen, maar zeker niet leefbaar of van een droom vervuld die het ecologisch ontij nog zou kunnen keren. Misschien schildert Hans Bruyneel wel het theatrale einde van het landschap waarin BASF de spotlichten bedient.